Schreibenswert

Cultuurhistorie Duits/Nederlands

De boer die melkt zijn koei-koei-koei!

                          Culemborg in oorlogstijd


Kees Eulink


Culemborg 1 april 1933 – Oegstgeest 27 april 2015


Tekst: Ingrid Maan-Eulink


Op 1 april 1933 werd hij geboren, de mensen dachten dat het een grapje was. Zijn vader schreef hem in bij de gemeente Doetinchem onder de naam Cornelis Gerhardus Eulink en zijn roepnaam werd Kees. In een bovenwoning van een bloemenwinkel in de Hamburgerstraat zag hij het eerste levenslicht in een wereld die gekenmerkt werd door zware crisis. Vooral in 1933 nam de werkloosheid toe en Kees wist dan ook niet beter, of zijn vader zat in de steun. ‘In de steun zijn’ was een impopulaire uitdrukking voor de werkloosheidsuitkering waarbij je op vaste tijden van de dag moest gaan stempelen ter controle. Men wilde er zeker van zijn dat niemand naast zijn uitkering niet toch nog een baantje had. 

Voor het prille gezinnetje werd de bovenwoning te krap en al snel verhuisden ze naar een oude boerderij aan de Rozengaardseweg. De reden van de snelle verhuizing kon ook zijn, dat zus Riek in aantocht, of reeds geboren was, dat weet hij niet meer. Wel weet hij dat die tijd heel zwaar voor zijn ouders is geweest: ‘Het leven in die crisistijd moet voor mijn vader en moeder niet gemakkelijk geweest zijn. Het werk in de werkverschaffing was zwaar en mijn vader kwam iedere avond moe thuis. Mijn moeder was de hele dag thuis om voor de kinderen te zorgen. Mijn konijn is mijn dierbaarste herinnering uit die tijd.’

Rond 1936 kwam er een woning vrij in de Paul Krügerlaan, waar het gezin Eulink in trok. Ook toen werkte vader nog bij de werkverschaffing van de Nederlandsche Heide Maatschappij, de Heidemij. De hele dag was hij aan het werk geweest met greppels graven, sloten uitbaggeren en grond bewerken. Met een bus van de Gelderse Tram werd hij iedere dag opgehaald en weer teruggebracht bij de halte voor kruidenier Lovink’s. Aan het eind van de dag stond de kleine Kees zijn vader op de hoek van de straat op te wachten. 

‘Later vertelde mijn moeder mij dat pa per week negen gulden uitgekeerd kreeg en daar moesten we dan de hele week van leven!’

Zijn jeugdjaren werden gekenmerkt door grote armoede en een oorlog die voor de deur stond: ‘Ik speelde vaak bij mijn buurjongetje, Broertje Besselink. Zijn vader was metselaar en ging wekelijks naar Duitsland op en neer. Hij werkte daar aan van die manshoge betonnen kegels die een lange rij vormden. Hij had geen idee waar die voor dienden. Later bleek dat hij aan de Siegfriedlinie, een Duits verdedigingswerk dat ook bekend stond als de Westwall, te hebben gewerkt. Zijn vrouw noemde ik tante Geesje. Ze had een bult op haar rug, maar wij vonden haar erg aardig. Deze buren hadden ook een radio. Dat was in die tijd zeer bijzonder, want een radio was een luxe artikel. In 1938 luisterden we gezamenlijk naar de reportage van de doop van prinses Beatrix.’

Naar Culemborg


Zijn vader werkte tot 1938 bij de werkverschaffing. Inmiddels was hij daar hulp-landmeter bij het kadaster geworden, maar soms deed hij ook nog grondwerk. Een brief uit Culemborg bracht plotseling verandering in hun leven. Oma de Braaf had bij de heer Harkink, de bedrijfsleider van de Gispenfabriek, geïnformeerd naar een baan voor zijn vader en daar konden ze hem wel gebruiken. Pa Eulink ging als lampenkapmonteur in de fabriek voor stalen meubelen werken. ‘Waar je werk was, daar ging je wonen, dus verhuisden we in dat jaar naar Culemborg. Mijn ouders hadden een betaalbare woning in de Prijssestraat gevonden. Het huis stond drie huizen van de hoek Kloosterstraat af. Voor mij als vijfjarig knulletje was het een hele verandering. Het huis was erg oud en ongerieflijk, maar het ergst vond ik de alkoof, een soort bedstede tussen de voor- en achterkamer. Het was daar altijd donker en naar mijn gevoel werd ik iedere middag voor mijn middagslaapje in de kast gestopt. Wat haatte ik die donkere kast!’
Er brak voor het gezin een rustiger tijd aan. Zijn vader kon zich door het werk in de fabriek beter ontspannen en knutselde thuis veel. Zijn moeder deed thuiswerk voor de fabriek. Met het naaien van lampenkappen verdiende zij een zakcentje bij, wat ze goed konden gebruiken.

In 1939 ging Kees naar de ULO, de openbare basisschool. Een jaar later ging zus Riek ook mee: ‘De klas telde wel 40 leerlingen van diverse afkomst en er heerste dan ook een strenge discipline. Ik zie het nog voor me: twee aan twee in een bank met een lessenaar en bovenaan die lessenaar zat een dubbele inktpot. En daar zaten we dan. Mond dicht en handen op de rug of de armen over elkaar. Als het schemerig in de klas werd, dan werden de gaslampen door de juf aangestoken. Dat gelige licht vond ik best gezellig. Juffrouw Werner was niet makkelijk, ze was ronduit kattig. Ze had de nare gewoonte om je wang of oor om te draaien als je wat uitgehaald had. In 1939 gingen de meesten van ons over naar de tweede klas; helaas juffrouw Werner ging met ons mee. Wat viel dat tegen! Daarna begon er een andere tijd.’

De oorlog breekt uit


Het was in die laatste vooroorlogse jaren politiek erg onrustig. De wereldcrisis had in heel Europa voor grote armoede gezorgd. In Duitsland voerde het nationaalsocialisme de boventoon. Hitler had de macht overgenomen en er had zich onder hem een sterk leger gevormd. Op 1 september 1939 viel Duitsland Polen binnen waardoor Engeland en Frankrijk de Duitsers de oorlog verklaarden. De Tweede Wereldoorlog stond voor de deur. Alhoewel Duitsland de soevereiniteit van Nederland beloofde te respecteren, vertrouwde het Nederlandse volk haar buurman niet meer en Nederland kondigde de algehele mobilisatie aan: ‘Wij jongens keken onze ogen uit. Overal werden militaire oefeningen gehouden en dat sprak enorm tot onze verbeelding! Zo speelden we in het voorjaar van 1940 na schooltijd altijd soldaatje. We hadden uit de meubelfabrieken van die kokers waar textiel op had gezeten en samen met wat stevige kartonnen dozen maakten we prachtige kanonnen! Op de Vliegerweg lieten we die vervolgens knallen door met volle overgave met een hamer op het kanon te slaan. De Vliegerweg heet zo, omdat wij daar als kinderen altijd onze vliegers, die we zelf van bamboe, latjes en papier maakten, vaak met behulp van onze vaders, op lieten. We wedijverden met elkaar wie de mooiste en grootste vlieger had. Nu heet de weg officieel Vliegerweg.
Al snel zou daar geen enkele vlieger meer opgelaten worden. 


In april van 1940 werden in de weiden rondom onze stad en tevens aan de Vliegerweg luchtdoelgeschut geplaatst en de militairen die deze kanonnen moesten bedienen, werden bij de burgerij ingekwartierd. Wij kregen Cheffie uit Tilburg in huis en vonden het een aardige man. Hij vertelde ons ook dat we de ruiten met plakband moesten beplakken voor het geval er een bom zou vallen. Door er nu plakband op te plakken, zouden de scherven niet alle kanten opspringen. Wij geloofden niet dat het zo ver zou komen. Niemand geloofde dat dit zou gebeuren. Op 10 mei 1940 werd ik ’s morgens heel vroeg wakker van een geluid alsof we op de Vliegerweg aan het spelen waren: het geluid werd versterkt door de vele vliegtuigen in de lucht. Duitsland was Nederland binnen gevallen en we waren nu echt in oorlog!’


Peinzend over de datum, het zou de tweede oorlogsdag geweest kunnen zijn, haalt hij zijn herinneringen op over een aanval. Er vlogen bommenwerpers over die hun vrachtje neer lieten op landhuis De Bol. Bij dat huis aan de Lange Dreef stond luchtdoelgeschut opgesteld. Ze hoorden het janken van de bommenwerpers en het fluiten van de bommen: ‘Mijn zus en ik werden door mijn ouders beetgepakt en achter de muur bij de keukendeur geduwd. Dat was voorlopig de meest veilige plek bij ons in huis. Maar door dit bombardement begrepen we pas echt dat het menens was en dus gevaarlijk!’
Hoe naïef en onbekend was de Nederlandse bevolking met deze omstandigheden. Ondanks al het oorlogslawaai, het schieten en de weer terug schietende vliegtuigen; de kinderen werden zoals altijd klokslag half negen naar school gestuurd: ‘Daar konden we meteen weer rechtsomkeert maken omdat de school gesloten was. Wat wisten onze ouders nu van oorlogsgevaar! Zo herinner ik mij dat buurtgenoten doodleuk buiten stonden te kijken alsof het een speelfilm was. Toen er vlakbij een vriendje van mij iets met een plof de grond insloeg, begon zijn vader te graven om te zien wat het was; nog nooit van rondvliegende granaatscherven gehoord! Ja, er fietsten wel Nederlandse militaire patrouilles door de straten en dan werd iedereen naar binnen gestuurd, maar ja, even later stond iedereen weer buiten om maar niets van dat spannende schouwspel te hoeven missen!’


Zingen konden die Duitsers wel!


Na de tweede dag namen de oorlogshandelingen toe; overal in de omgeving werd hard gevochten en de burgers waren zich er inmiddels wel van bewust hoe groot het gevaar op straat was: ‘Overal was angst! Aan de overkant van de Lek stond Duits artillerie opgesteld en dat begon Fort Honsdijk te beschieten. De beschietingen gingen over Culemborg heen en de lucht was vuurrood. Je hoorde voortdurend een snerpend geluid met knallen. Op de vismarkt werd door dit vuur een echtpaar gedood. Het werd veel te gevaarlijk in onze straat en we werden toen in Beusichem in een oude molenschuur aan de Benedenmolenweg ondergebracht, samen met buurtgenoten uit de Goudsbloemstraat. Door de doorstane spanning werd er die nacht weinig geslapen. De volgende morgen kregen we allemaal brood en een hard gekookt eitje, geschonken door de eigenaar van de schuur. De terugtocht volgde nu langs de Lange Dreef. Daar zagen we verschillende woningen die ten gevolge van de beschietingen flink beschadigd waren. De tijd die toen aanbrak was voor ons jongens heel erg spannend. De Duitse soldaten hadden een gedeelte van het seminarie gevorderd en hielden aan de ingangen wacht. Hun aflossing ging met een bepaalde ceremonie gepaard waar wij als jongens graag naar keken. Ook probeerden we wat met die Duitsers te praten en ondanks de taalbarrière lukte dat af en toe. Een paar weken na de capitulatie was er op de markt een Duitse militaire parade. De hele stad liep uit! Later in het eerste oorlogsjaar toen de school weer gewoon begonnen was, hoorden we pelotons soldaten zingend langs de school marcheren. Ja, zingen konden die Duitsers wel!’



De oorlogswinter van 1941 was zeer streng. Kees kon eindeloos met zijn vrienden in de sneeuw ravotten en genoot daar ook van. De oorlog stond ver van hen af. Ze merkten er weinig van in hun dagelijks leven: ‘De oorlog ging verder en ons leven ging verder. Er kwam een Duitse verordening waarin stond dat ’s avonds alle vensters verduisterd moesten zijn. Er mocht geen sprankje licht naar buiten komen. De herinneringen uit deze tijd zijn voor mij verbonden gebleven met de ziekte en het overlijden van mijn opa De Braaf. Enkele maanden na de begrafenis ging oma bij mijn oom Piet Saltzherr en zijn vrouw in huis wonen en mijn ouders kregen van de gemeente toestemming om het ouderlijk huis aan de Zonnebloemstraat 25 te huren. Dus gingen we weer verhuizen. Dat was allemaal lastig want alles moest met de handkar gebeuren. Mijn ouders waren er samen met de buren de hele dag mee bezig tot diep in de avond. En dat betekende in deze oorlogstijd dat het nieuwe huis vanwege het verduisteringsvoorschrift in het donker ingeruimd moest worden.’


De oorlog ging door. Het was voor Kees iets dat bij zijn dagelijks leven hoorde. Voedsel was op de bon en hij speelde gewoon buiten. Dat er ondertussen wel hoop was, merkten ze aan de pakketten folders die door de vliegtuigen ’s nachts uitgestrooid werden. Daarop stond met grote letters OZO: Oranje zal overwinnen! Toch kreeg hij als jongetje nog wel de geruchten mee over Joden die naar kampen werden gestuurd: ‘Ik kan me nog goed herinneren hoe ook uit onze klas kinderen verdwenen. Ze zijn na de oorlog niet meer teruggekeerd.’
Op een dag kregen ze het bericht dat voor de oorlogsindustrie al het koperwerk dat de mensen bezaten, en dat was in die tijd nogal wat, ingeleverd moest worden. Zijn vader had voor hem een stoommachine gebouwd en die was helemaal van koper. De Duitsers hebben de verstopplek onder de vloer nooit ontdekt. Ook herinnert Kees zich dat de kerkklokken uit de torens gehaald en weggevoerd werden: ‘Voor ons jongens was dat natuurlijk weer zo’n spannende gebeurtenis waar we naar moesten gaan kijken. Prachtig vonden we dat om in en op de klokken te klauteren!’


Er werden ook met regelmaat luchtalarmoefeningen gehouden. Dan moest iedereen een schuilplaats zoeken, ongeacht waar je op dat moment liep. Er werd tijdens zo’n oefening met luchtdoelgeschut gevuurd. Je zag dan de lichtspoorgranaten als gloeiende vonken door de lucht vliegen. Dit gebeurde zo regelmatig dat de burgers gewend raakten aan het proefalarm en er niet eens meer van schrokken. Ook Kees trok zich er bij het spelen niets meer van aan, maar dat zou snel veranderen! ‘Op een mooie voorjaarsdag in 1943 gingen mijn zus Riek, mijn buurmeisje Tiny Sielhorst en ik langs de kaai bloemen plukken. De kaai was de kade die parallel aan de Straatweg naar Geldermalsen liep. We gingen op klompen en dat liep niet zo goed. We waren al een flink stuk van de stadsrand verwijderd en liepen onder de bomen die langs de weg stonden, toen plotseling in de verte de sirenes begonnen te loeien: luchtalarm! Ik zei tegen de meisjes dat de Duitsers ons toch niet zouden zien hier onder de bomen en dat we rustig door konden gaan. Maar toen hoorden we opeens vliegtuigen achter ons! Het waren Amerikaanse dubbelstaarters, de zgn. Lightnings, die in een cirkel boven ons draaiden. In de verte hoorden we ook een trein bij het station plotseling hard afremmen en er werd hevig op de vliegtuigen geschoten. Ineens vlogen ze achter elkaar, vlak boven onze hoofden en schoten met hun boordkanonnen op de trein. We schrokken geweldig van dit oorlogsgeweld. De hulzen vielen achter en naast ons door de bomen en we renden op onze nieuwe klompen zo hard als we konden naar de dichtstbijzijnde boerderij aan de Straatweg. We vlogen daar naar binnen! Samen met de angstige bewoners hebben we daar toen de aanval afgewacht. Later gebeurde dit regelmatig. Er werden aanvallen op de treinen en schepen uitgevoerd en vooral de spoorbrug moest het ontgelden. Nadat de sirenes het sein veilig hadden gegeven, gingen we snel naar huis. Onze moeders, die erg verontrust waren, kwamen ons al tegemoet en waren opgelucht dat ze ons zo gezond en wel weer terug zagen.’

Stil verzet op de scholen


Op school werd er behalve vaderlandslievende liederen ook stil verzet gepleegd door de docenten. Mijn zus Rikie had een poezie-album en daar stond in 'Hollandse vlag je bent mijn glorie!' Nou, dat was natuurlijk hartstikke verboden in die tijd!

En de boer die melkt zijn koei, koei, koei!


De avonden in de winter werden gevuld met knutselwerk bij de Knapen Vereeniging. Deze knutselavonden werden door de Hervormde Kerk georganiseerd. ‘We vonden het erg leuk, want we deden allerlei handwerk zoals figuurzagen, glas schilderen, toneel, voordrachten houden en dergelijke. Ook thuis vermaakte ik me wel met het uitzagen van ringen uit vliegtuigglas. Die ringen verkocht ik dan weer op school. Daar werd het overigens in de loop van 1943-1944 erg onrustig. Onze school werd door de Duitsers gevorderd voor de legering van hun militairen.
Wij gingen toen naar de oude kleuterschool in de Goilberdingerstraat. We merkten wel dat er een spanning hing; de voedselvoorziening werd steeds krapper, en ’s nachts hoorden we honderden vliegtuigen overvliegen richting Duitsland. Later gebeurde dat ook overdag. Je zag dan honderden zwarte stipjes met condens strepen in de lucht. Het Duitse luchtdoelgeschut knalde er dan op los en ook de Duitse jachtvliegers voerden beangstigende luchtgevechten uit. Op een nacht werd er weer zo hevig geschoten dat er vlakbij een toestel werd geraakt en neerstortte. Het gecrashte vliegtuig liet zijn bommen in een boomgaard aan de Vliegerweg vallen. Nu was er bij ons een luik in de zolder naar een vliering en dat stond meestal omhoog, opengehouden door een gewicht aan een touw. Dat gewicht bestond uit een blikken trommel met spijkers erin en dat kwam nu met een enorme dreun naar beneden toen het luik met een klap dicht sloeg, midden in de nacht! Als gevolg van de explosie van de crash was het papiertouw gebroken. De schrik zat er bij ons goed in, want we dachten dat de schoorsteen eraf was geslagen! Het luchtdoelgeschut en de spoorbrug werden regelmatig door vliegtuigen beschoten en wij, op school, zaten daar vlakbij! Tijdens een aanval moesten we dan onder de lessenaar van je bank kruipen. We zongen onszelf dan moed in met het liedje en de boer die melkt zijn koei, koei, koei! En dat deden we net zo lang totdat de aanval voorbij was en het sein veilig weer klonk.’ 


We lagen heel wat keren met de buik plat op het ijs!


De spoorlijn van Culemborg was een hoofdlijn naar het zuiden en voor de aanvoer van oorlogsmateriaal voor het front in Frankrijk was het dan ook een belangrijke spoorverbinding. Vrijwel iedere dag werd er wel op de spoorbrug en spoordijk geschoten en granaten afgevuurd boven de huizen van de Zonnebloemstraat: ‘Een jankend geluid en daarna een klap. Mijn zus en ik schuilden op zo’n moment achter een muurtje bij de keukendeur. Iedereen was nerveus en wachtte hoopvol op de komst van de geallieerden. Op 12 september 1944 stond ik in de boekwinkel van Bolding. Ik wilde een boekje kopen over vliegtuigmodellen, die ik in de etalage had zien staan. Die vliegtuigen maakte ik dan na van hout. Op het moment dat ik de winkel binnen kwam had niemand aandacht voor mij, want via de geheime kanalen was bekend geworden dat de Amerikanen in Limburg bij Eijsden de grens met Nederland overschreden waren en verder het land introkken. Naar dat boekje kon ik fluiten want iedereen was door het dolle heen. De bevrijding zou nu niet lang meer op zich laten wachten!’


De bevrijding liet echter nog wel op zich wachten want tijdens de Slag om Arnhem ging het mis. De geallieerde troepen werden door de Duitsers teruggeslagen en Operation Market Garden was mislukt. ‘En zo gingen we de winter in. Iedereen had inmiddels al wel een vluchtkarretje gemaakt, dat meestal uit een kist op fietswielen bestond. Als de geallieerden zouden komen en er bij ons gevechten zouden uitbreken, dan konden we met dit karretje onze spullen vervoeren en alles in veiligheid brengen.’
Het zou een zware winter worden, die laatste oorlogswinter. In het najaar hadden de Duitsers de weilanden en polders onder water gezet waardoor een groot deel van de Betuwe niet meer begaanbaar was. Zware tanks zouden er niet doorheen kunnen komen. Ook de bruggen over de rivieren werden de lucht in geblazen. ‘De Duitsers bij ons in de buurt lieten de weilanden achter ons huis onder water lopen waardoor er tot aan Beusichem een grote waterplas ontstond. Ik was op mijn slaapkamer met een vriendje aan het spelen. We bouwden een reuzentoren met blokken. We waren zo druk bezig dat toen we naar buiten keken uiterst verbaasd waren dat we geen groen weiland meer zagen, maar in plaats daarvan een groot meer! Een boer was bezig zijn voederbieten in een bootje te laden. Dit hoge water is zo gebleven totdat het ging vriezen. Vanuit ons huis keek je zo het veld in en toen het begon te regenen en alles later weer begon op te vriezen, keken we over een enorme ijsvlakte tot Beusichem aan toe! We hebben toen veel geschaatst, maar door de vele luchtaanvallen op de spoorbrug en het luchtdoelgeschut, werd het te gevaarlijk en toen mochten we niet meer. We lagen heel wat keren met de buik plat op het ijs tijdens de aanvallen!’

Riek en ik gingen naar de kerk 

                  waar ze voedsel aan ons uitdeelden


De scholen waren door brandstofgebrek gesloten en op toerbeurt kwam de onderwijzer bij de leerlingen thuis lesgeven. Kees werd door zijn oom Piet overhoord, die hem ook hielp wanneer hij iets niet snapte. De voedselvoorziening liet het bijna geheel afweten en het brood dat nog op de bon gekocht kon worden, was weinig en vrijwel niet te eten vanwege de meegebakken rommel zoals het kaf van het koren en de muizenkeutels. Kees herinnert zich nog wat avonturen: ‘Wij hadden nog geluk, want zo’n 30 meter van ons huis vandaan tegenover de hoek van de Zonnebloemstraat was een door de Duitsers gevorderde bakkerij die heerlijk Duits zuurdesem brood bakte voor de militairen. Wij kinderen brachten er wel eens twee appels en dan kregen we ieder een lekkere warme appelbol. Aan het eind van de middag gingen de bakkers achter in de bakkerij taarten maken en dan schoven wij aan de voorkant van het magazijn een raam omhoog. De kleinste kroop erdoor naar binnen, griste de broden van de rekken en gooiden die dan door het open staande raam naar ons toe! Ook werd er brood opgeslagen vanuit de andere bakkerijen. Die broden werden door een keten van burgermannen van de vrachtwagen naar binnen gebracht. Liet iemand zo’n brood vallen dan kropen wij vliegensvlug onder de wagen door en pakten het brood weg. De toeziende soldaten grepen alleen in als het te erg werd. Dan stapte er een met een karwats naar ons toe, haalde uit en sloeg altijd met een klap tegen het hout van de vrachtwagen. Daarna wachtten we altijd een poosje voordat we weer een nieuwe poging waagden.
Bij de bakkerij zagen we regelmatig wagens met briketten staan die dan door de Duitse militairen gelost werden. Wij kinderen haalden de gebroken stukken weg en brachten die naar huis voor in de kachel. De Duitsers zagen dat wel, maar zeiden niets, totdat we hen kennelijk in de weg zaten. Op een middag moesten we hen voor straf helpen met het lossen van die brandstof en dit met een kruiwagen naar een kelder onder de bakkerij brengen. We waren met ons tienen en vonden het geen echte straf. We hadden veel lol. Eenmaal klaar met de klus werden we naar de bakkerij gestuurd en daar stonden tafels klaar met voor ieder twee sneden brood met dikke plakken kaas, althans, dat dachten wij! Het bleek een hele dikke laag roomboter te zijn. Boter was in die tijd niet meer te koop en deze ‘straf’ hadden we dan ook niet verwacht. Na afloop moesten we thuis een emmer halen en die werd door de Duitsers tot bovenaan gevuld met briketten en daar bovenop kolenstof! Later in de winter werd de bakkerijbezetting vervangen door soldaten van de Nederlandse Waffen-SS. Dat waren schoften die de hongerende en bedelende mensen uit de grote steden weg stuurden en vervolgens honderden broden lieten verschimmelen. Er stierven mensen van de honger en kou. Ook mijn moeder zag zich genoodzaakt om de boer op te gaan en was dan soms de hele dag onderweg. Tegen het eind van de dag kwam ze doodmoe thuis met wat spek of een paar kilo aardappels. Riek en ik gingen naar de kerk waar ze voedsel aan ons uitdeelden. Het eten was meestal stamppot of pap, die door gebrek aan ingrediënten niet echt lekker was. Maar het was buikvulling die meetelde. Mijn moeder maakte van de suikerbietenpulp soms koekjes. Lekker? Nee! Mijn vader had tabaksplanten geteeld en na het drogen sneed hij het tot shag. De Duitsers hoorden dat hij een snijmachine had en kwamen met een flinke zak met kwaliteitstabak aanzetten en vroegen of hij dat kon snijden. Dat was natuurlijk een kolfje naar zijn hand en een paar dagen later kregen ze hun gesneden shag terug, maar wel gemengd met een flinke hoeveelheid slechte eigen teelt!’


Bij het stelen van een boom doodgeschoten


Om het huis een beetje warm te houden, was de familie naar de voorkamer verhuisd. Deze was kleiner en daardoor ook makkelijker te verwarmen. De Duitsers die bij de buren ingekwartierd waren, hadden de kolenhaard geleend. Kees zijn vader kon de kolen niet meer betalen. In ruil daarvoor konden ze om de dag een brood bij de buren ophalen. De Duitsers kwamen altijd hun afspraak netjes na. Zelf warmde de familie zich bij het Salamander potkacheltje op. Als de temperatuur dragelijk was en er eten gekookt moest worden, dan hadden ze een lilliputtertje. Dat was een soort blikken kacheltje dat op de potkachel geplaatst kon worden en met kleine houtjes gestookt werd. Voor deze kacheltjes van blik hadden ze wel veel hout nodig: ‘Mijn vader ging ’s morgens heel vroeg gezamenlijk met de buren over het ijs het Beusichemse veld in om stiekem in het veld een boom om te zagen. Samen trokken ze die boomstam op een slee naar huis. Bij ons achter werd hij in moten gezaagd en gekloofd, zodat we weer wat te stoken hadden. Het was gevaarlijk werk want je mocht zo vroeg in de morgen, het was vier uur, nog niet buiten zijn en je mocht al helemaal geen bomen omhakken. Er is in die periode dan ook een jongeman bij het stelen van een boom doodgeschoten.’

Bij het volk heerste een onderdrukte angst. Dat was te merken aan het kerkbezoek. Iedere zondag zat de kerk in Culemborg stampvol. Ook Kees zijn moeder ging samen met een vriendin regelmatig naar de kerk en zo kon het gebeuren dat broer en zus met negen en tien jaar nog gedoopt werden.
De elektriciteit werd afgesloten en de mensen moesten zich op alle mogelijke manieren van licht voorzien. De familie Eulink probeerde het eerst met kaarsen, toen met vetpotjes en wat later met een carbidlamp die vader gemaakt had. De carbidlamp gaf een goed licht en het suizen van de lamp zorgde voor een gezellige, knusse sfeer in huis. Met regelmaat moesten ze zich echter naar buiten, de kou in begeven, omdat ook de waterleiding afgesloten was. Water moest nu uit nieuw geslagen pompen getapt worden.


Werken voor de Duitsers


‘We probeerden het gezellig te maken en gingen soms ’s avonds naar de buren. De familie Verkerk had inkwartiering van Duitse militairen uit de bakkerij tegenover hun huis en zij kregen daardoor wel elektrisch licht. De buurman kon goed met ons overweg en deed grondoefeningen met ons kinderen. Ook deden we spelletjes of droeg hij leuke gedichten voor. Van die ingekwartierde Duitsers kregen we soms brood.’
Vader Eulink kreeg aan het eind van de winter hoge leren schoenen van zijn werkgever verstrekt. Deze werden bij de boer geruild voor een mud aardappels. Dat was in die tijd een kapitaal! Deze gift van de firma Gispen was mogelijk omdat het bedrijf haar personeel had moeten afstaan aan de Duitse bezetter. De vader van Kees zou, net als alle andere medewerkers van de fabriek, naar Duitsland moeten om daar in de oorlogsindustrie te gaan werken. De Gispenfabriek zelf ging toen voor de Duitse oorlogsindustrie vliegtuigonderdelen voor de Junker vliegtuigen produceren en zo konden ze op het nippertje voorkomen dat het personeel de grens over gestuurd werd. Het gaf bovendien ook nog eens het privilege om bedrijfskleding en schoenen aan het personeel te mogen verstrekken: ‘die avond, waarop de Gispenfabriek deze beslissing moest nemen, was de stemming thuis onder nul. De koffer was al gepakt en we wisten dat er geen ontkomen aan was. Toen er dan ook aangebeld werd en er een functionaris van de Gispenfabriek voor de deur stond die het besluit van de directie mededeelde, was er een algehele opluchting thuis!’

Een lesje van de Duitsers


Kees was dit voorval al weer gauw vergeten en speelde als van ouds met zijn vriendjes buiten. Ze hadden ontdekt dat er in de weilanden van alles aan munitie lag en de jongens gingen op struintocht. Een vriendje vond een nog niet ontplofte granaat en net op het moment dat hij de huls wilde oppakken, Kees en zijn andere vriendjes stonden er met hun neuzen bovenop, werden ze van achter door Duitse militairen in de kraag gegrepen: ‘Ze brulden in het Duits tegen ons en we begrepen dat het foute boel was! We kregen een briefje mee voor onze ouders en daarin stond dat wij ons de volgende dag op deze plek weer moesten melden. Mijn ouders hadden meegekregen wat er gebeurd was en ik kreeg er flink van langs, maar niet alleen van mijn ouders. We knepen ‘m natuurlijk enorm, want we wisten niet wat er boven ons hoofd hing. Eenmaal met elkaar op het afgesproken tijdstip bij het weiland, hadden de Duitsers hekwerken geplaatst en van achter die hekken lieten ze aan ons zien wat er gebeurde, toen ze de granaat alsnog tot ontploffing brachten. Dat was natuurlijk een les voor ons leven! Daarna gingen we niet meer zoeken.’


Ze zongen onderweg verboden vaderlandse liederen


In de winter van 1944-1945 moesten de mannen op toerbeurt bij de Culemborgse spoorlijn wachtlopen om eventuele sabotage te kunnen melden. Dit gebeurde per straat. Op het moment dat de Goudsbloemstraat de wacht liep, werd middenin de nacht de lijn opgeblazen door verzetsstrijders. Er zou een belangrijk munitietransport voorbij komen. De mensen die de wacht liepen, konden niets anders doen dan er melding van maken. Ze werden onmiddellijk vastgenomen. De Duitse bezetter nam het niet en als represaille moesten een aantal mannen naar Duitsland om te gaan werken. Drie boerderijen achter de spoorlijn bij de Melkbrug werden in brand gestoken. Daarna werd er een bekendmaking aangeplakt op een bord in de stad. Zulke plakkaten verschenen daarna regelmatig.
De strenge oorlogswinter ging voorbij en de dooi trad in waardoor het water tot gevaarlijke hoogte steeg. Dit was iets waar de bezetter geen rekening mee had gehouden en die raakte er dan ook aardig door van streek. Het water van de grote rivieren, zeker bij Tiel, stond aan de kruin van de dijk. Hier was algehele en spontane hulp nodig van de Betuwse bevolking. Dat begrepen de Duitsers ook wel: ‘Nu hadden die Duitsers natuurlijk ook het eigen belang op het oog, want zou de dijk breken, dan was ook voor hun het leed niet te overzien. Manus van Empel, onze stadsomroeper in Culemborg kwam altijd als er bijvoorbeeld een koe gedood was. Dan riep hij slaand op zijn klankbord, dat er bij het slachthuis vlees te koop was.
Met dat hoge water verscheen hij plotseling midden in de nacht en riep iedereen wakker met zijn boodschap, dat “een ieder zijn haver en goed op zolder mot opbargen” en dat was me toch een schrik! Er kwam een dringende oproep van de Duitsers aan alle mannelijke ingezetenen om zich met spaden te melden en de dijken te gaan versterken. Er zou niet gekeken worden of er jonge kerels voor de Arbeitseinsatz bij zaten, die tot dan toe ondergedoken hadden gezeten; iedereen moest komen en iedereen ging dan ook. Zelfs pastoors en dominees gingen gezamenlijk mee. Lopend ging de hele lange rij Culemborgers naar Tiel en omgeving om aan de Waaldijk te gaan werken. Ze zongen onderweg verboden vaderlandse liederen. De Duitsers liepen eerst naast de lange rij, maar er werd hen te verstaan gegeven dat ze achter in de rij moesten aansluiten. Alles is met die dijk goed afgelopen en na een paar dagen konden de mannen weer naar huis toe.’


Het werd lente en de oorlogsgeluiden kwamen steeds dichterbij. De hele dag was het gerommel van beschietingen te horen. De Duitsers lieten in Tiel huizen in de lucht vliegen en de geallieerden beschoten ook hoge gebouwen. ‘Als je in het donker vanuit mijn slaapkamer naar het zuiden over het ondergelopen weidegebied keek, zag je aan de horizon alle kleuren lichtkogels en lichtspoorgranaten door de lucht vliegen. Er was één ding waar ik erg bang voor was. Dat was de V1, een door straalaandrijving aangestuurde vliegende bom. Die werd ergens bij ons in de buurt afgeschoten met de bedoeling om naar Engeland en Noord-België te vliegen en daar in de grote steden neer te vallen met een zeer grote vernietigingskracht. Vaak weigerde echter de aandrijving en als de bom dan, meestal ’s nachts, over onze stad vloog met een eentonig, pruttelend geluid, dan lag ik altijd gespannen te luisteren. Viel dat geluid weg doordat de aandrijving stopte, dan kroop ik diep onder de dekens weg in de hoop dat hij niet bij ons in de buurt zou neervallen!’


Mijn eerste stuk chocolade 

                                              

                   beet ik in heel kleine stukjes . . . 


                   en zoog het heel langzaam op


Eind april hoorden de Culemborgers dat er voedselvluchten boven bezet Nederland zouden plaatshebben. Op 29 april 1945 hoorde Kees de vliegtuigen heel laag over de stad vliegen. Hij vond het erg indrukwekkend om al die zware bommenwerpers over te zien komen; er werden containers met allerlei etenswaren gedropt. Hij herinnert zich nog dat de mensen door het dolle heen waren en met alles zwaaiden wat maar voor handen kwam. Het voedsel werd onder toezicht van de politie en de Duitsers verzameld uit de terreinen waar het gevallen was: ‘Mijn eerste stuk chocolade beet ik in heel kleine stukjes en zoog het heel langzaam op. Maar het mooiste was wel dat we nu het gevoel hadden dat het met de oorlog bijna was afgelopen. En ja, op vier mei hoorden we dan ook na de avondklok plotseling veel leven bij ons in de straat. Mensen kwamen zingend hun huis uit. Ze hadden naar radio Oranje geluisterd: Duitsland had gecapituleerd. Overal in de stad ging de Nederlandse rood-wit-blauwe vlag met oranje wimpel uit, maar een groep fanatieke SS’ ers schoot met hun wapens de wimpels eraf. De volgende dag waren we allemaal nog wel erg bang dat de Duitsers het niet zouden accepteren. De Ondergrondse liep gewapend door de stad, pal langs het gebouw van de Ortskommandantur, maar die Duitsers droegen ook nog hun wapens!
Drie dagen later voelden we ons pas echt bevrijd, toen de Canadezen de stad binnen reden. Er volgden nu dagen van feest en vooral saamhorigheid, want iedereen was blij en men zag nu weer toekomst. Wij jonge jongens trokken de stad in om te zien hoe de moffenmeiden opgehaald en kaal geschoren werden en ook zagen we dat portretten van Hitler verscheurd werden. NSB’ers werden uit hun woningen meegenomen en opgesloten. We gingen ook nog naar de Plantage waar de Canadezen hun kampementen hadden opgeslagen. Wij probeerden daar sigaretten voor onze vaders los te peuteren, of we bedelden om kauwgum voor onszelf en meestal ook met succes! 


Al spoedig kwam het gewone leven weer op gang, al zag je wel overal de sporen van al die oorlogsjaren.’

Padvinderskamp aan de Renkumse Beek


‘Een paar jongens hadden weer wat nieuws ontdekt langs de Lek. Daar was munitie en ontstekingsmateriaal aangespoeld en dat was weer prachtig speelmateriaal! Ze namen ontstekingspijpjes en verbonden die met een vuurkoord. Door dat pijpje in de grond te graven en het koord aan te steken, hadden ze een prachtige ontploffing, waarbij de aarde wel een meter omhoog spoot! Ik heb er wel op een afstandje naar staan kijken, maar durfde nooit te dichtbij te komen. Ik had immers een wijze les gehad. Later zou er nog een schoolkameraadje daarbij om het leven zijn gekomen.

Ik was 12 jaar geworden en wilde al heel lang bij de padvinderij, maar dat was tijdens de oorlog een verboden vereniging. Nu kon het weer. Ik werd lid van de nieuw opgerichte Prins Bernhardgroep. Als troephuis gebruikten we een klaslokaal en het schoolplein van de Stadsschool, ook wel school I genoemd. Onze groepsleider was hopman Smits uit een melkwinkel in de Everwijnstraat. De vaandrig was Hans van Heusden. Al snel werd onze groep samengevoegd met de al jaren bestaande Beatrixgroep die haar troephuis aan het Veer tegenover de pont had. Het was een driedubbele zolderverdieping van een pakhuis. Onze hopman was het hoofd van de toenmalige school I en heette Van Leeuwen. De twee vaandrigs waren Wim Gaasbeek en Wim Kramer Freher. Ik ben van deze groep lid geweest tot mijn 17e jaar en kijk nog steeds met veel plezier terug op deze mooie tijd. Voordat ik op kamp ging, hadden we eerst nog een logeerpartij bij familie in Doetinchem. Zo net na de oorlog was dat een hele beproeving. Er reden sinds 1946 voor het eerst weer treinen. Alles wat nog kon rijden, werd ingezet. Wij reisden daarom staand in een goederenwagon. De reis verliep voorspoedig. In Doetinchem verbleven we bij tante Anna en oom Gert. Mij is de oorlogsschade in de stad heel goed bijgebleven; Doetinchem was een grote puinhoop van ingestorte panden en uitgebrande kelders.’


De zondag aansluitend op het familiebezoek begon het padvinderskamp. Kees werd door zijn ouders naar Ede gebracht waar de verzamelplek voor het kamp was. Na een flinke wandeling bereikten ze de afgesproken plek en nadat alle ouders vertrokken waren, begon het kamp voor de jongens pas echt. De zon scheen en die hele week zou het prachtig weer blijven. Vol goede moed sloegen de padvinders hun kampement op aan de Renkumse Beek op de heuvelrug van de Veluwerand met bos en heide. Bij de beek werd de afwas gehouden en vond de kampdoop plaats. Alle nieuwe padvindertjes moesten gedoopt worden, daar was geen ontkomen aan! Die doop werd door de bosgeesten Habbekuk en Habbekrats verricht. Middenin de nacht in het pikkedonker werden de nieuwkomers uit de tent gehaald en op een tafel van palen gelegd, die zij diezelfde middag allemaal nog zelf hadden gemaakt: ‘Je moest dan op de meest vreemde vragen antwoord geven en een tekst nazeggen, waarna je een plons ijskoud beekwater over je heen kreeg. Dit alles onder de meest lugubere geluiden van de bosgeesten.’ Zo’n begin van hun kamptijd hadden ze wel anders bedacht en Kees vroeg zich af wat hen nog meer te wachten stond.


Op zoek naar de ontsnapte SS’ er!


De jonge padvinders werden op een keer betrokken bij een nachtspel dat grote indruk op hen zou maken. Ze hadden er geen idee van dat het een vooropgezet plan was waarin ze verzeild raakten. ‘We lagen allemaal net op bed toen we gewekt werden door knallen. Het zal een uur of elf geweest zijn. Een vaandrig kwam ons alarmeren dat een van de wachten plotseling verdwenen was. Iedere nacht werd er wacht gelopen. De leiding dacht dat hij door een Duitser ontvoerd was, want in de omgeving van ons kampement zou er na de oorlog een SS’ er ontsnapt zijn uit een interneringskamp. Wij moesten dus nu de verdwenen vaandrig gaan zoeken! Met onze padvindersstokken gewapend gingen we in het stikdonker op pad. En ja hoor, na een half uur richting Ede te hebben gelopen, hoorden we plotseling gekreun aan de kant van de weg. Daar lag aan de bosrand Aart Gutte, onze ontvoerde wacht.
Hij zat helemaal onder het bloed, maar dat bleek later tomatensap te zijn. Op dat moment zag het er allemaal heel echt uit. De spanning was voor ons om te snijden! Hij kreunde verschrikkelijk tijdens het transport en bovendien verwachtten we nog zijn overvaller tegen te komen! Toen er dan ook plotseling uit het donker twee fietsers opdoemden en ons tegemoet reden, kon de kampleiding nog net voorkomen dat de oudsten van ons de twee fietsers te lijf gingen en deze ‘ontvoerders’ met stokken neer knuppelden. Bij de ingang van het kamp aangekomen, stond de vaandrig Van Gaasbeek met witte doktersjas en stethoscoop ons op te wachten. Toen hij de gewonde wilde onderzoeken, sprong het slachtoffer met een ijselijke gil van de draagbaar, maar de spanning was ineens gebroken. Wat waren wij goed tuk genomen!’


Het padvinderskamp vond plaats in een omgeving dat nog zwaar getekend was door de oorlogshandelingen. Alles in het veld herinnerde nog aan de geallieerde luchtlandingen tijdens de Slag om Arnhem. Op de heide en in het bos lagen nog delen van vliegtuigwrakken en defecte wapens. Grote delen van het gebied waren nog afgezet met prikkeldraad omdat er nog landmijnen lagen. Voor Kees en zijn vrienden van de padvinderij was het een grote speeltuin! ‘Bij wandelingen passeerden we viaducten waar we tussen het betonijzer door moesten kruipen, want een bom was door het wegdek geslagen. Als trofee namen we een 20 millimeter boordkanon mee naar ons troephuis in Culemborg. De loop was wel krom maar dat maakte voor ons niets uit. Buiten alle oefeningen in knopentechniek en bouwen van allerlei handige kampbenodigdheden, deden we vaak mee aan naoorlogse acties zoals collectes houden, verzamelen van glas en ander bouwmateriaal. Dit was allemaal bestemd voor de door de oorlog getroffen gebieden zoals Zeeland en nog vele andere doelen. Alles bij elkaar was het padvindersuitje een fijn, avontuurlijk en spannend weekje en na afloop gingen we vanuit Renkum met de Rijnaak van Gradus Kuilenburg naar Culemborg terug.’ 

Deze vakantie betekende voor Kees ook een afsluiting van zijn jeugdtijd. Het was voor hem een vrij onbezorgde periode, die weliswaar getekend was door de crisistijd en de oorlog, maar waarin hij vooral het grote avontuur zag.




Na zijn school en technisch-elektronische opleiding kreeg hij bij het NIEAF in Utrecht zijn eerste baan van 48 uur. Hij moest gaan reizen en deed in de avonduren nog een opleiding voor radiomonteur. Op zijn 18e volgde de dienstplicht en in augustus 1953 kwam hij bij de verbindingstroepen van de Koninklijke Landmacht. Later zou hij overstappen naar de Marine, waar hij tot aan zijn VUT-pensioen als enige burger op een militaire afdeling bij het MEOB op de crypto-afdeling werkte. Hij zat regelmatig in bunkers, onderzeeboten en op slagschepen en draaide mee in alle NATO-oefeningen. Samen met schoolvriend Kees, die ongeveer dezelfde weg vanuit Culemborg had afgelegd en ook bij het MEOB terecht was gekomen, haalde hij tijdens menig koffie uurtje oude herinneringen op, waarbij het voornamelijk om hun jeugdherinneringen uit de oorlog ging.