Schreibenswert

Cultuurhistorie Duits/Nederlands

                   een boer die klaagt,

                         die had het zo slecht nog niet

De teloorgang van de Willie’s Hoeve


Interview met Coby Eulink-Wagemaker, voorjaar 2012


De boer van de Willie's Hoeve was met een tragisch bedrijfsongeval om het leven gekomen. Zijn weduwe wilde niet alleen op de boerderij achterblijven en bood mijn ouders woonruimte op de Willie’s Hoeve aan. Op een zonnige voorjaarsmorgen heb ik een bijzonder gesprek met mijn moeder Coby Eulink-Wagemaker (80 jaar). Samen met mij haalt zij haar herinneringen op aan haar periode op de boerderij in Culemborg.


Allemaal appelboomgaarden

‘Wij trouwden in augustus 1962 en in die periode konden wij slecht aan een woning komen. Allereerst zouden we middenin Culemborg in een heel groot pand komen, waar al een contract voor getekend was, maar toen kwam dit op onze weg en toen zeiden we: “Tja, dat is veel leuker, op een boerderij te gaan wonen”. De weduwe, mevrouw Burggraaf, vond het leuk om jonge mensen in haar huis te hebben, want dan konden die het huis voor het grootste deel schoonhouden. De boerderij uit 1910 heette de Willie’s Hoeve en lag aan de Rijksstraatweg 57. Dat was de weg van Culemborg naar Geldermalsen. Daar stonden veel boerderijen met afstanden van vijf tot tien minuten lopen en daar stond, geheel alleen, de Willie’s Hoeve met aan de zijkanten een gigantisch lange boomgaard en aan de andere kant van het huis hele grote weilanden met koeien. Er was een voortuin; echt een boerentuin met van die ouderwetse bloemen, hortensia’s enzo. Achter het huis had je een overkoepeling van golfplaat naar de hooiberg en de schuur daaronder. De stal was schoon en leeg. Burggraaf had waarschijnlijk al een heleboel opgeruimd. In de stal stonden een paar oude linnenkasten en er lag nog wat boerengereedschap, maar alles zwaar verroest. Vanuit de keuken kwam je in een portaaltje en als de deur open ging dan hadden we daar dus die overkoepelde plaats naar de hooiberg en daarachter was een beetje opslag en dan zat je gelijk weer in de boomgaard. Het was één en al boomgaard daar: appels, het waren allemaal appelboomgaarden.


We waren hartstikke blij als het regende, 

want we hadden een grote regenton, 

een gierton, en daar vingen we het regenwater in op


Wij hebben de boerderij gestoffeerd gehuurd, omdat het hopelijk voor tijdelijk was, want je hoopt allemaal op een eigen woning, een eigen begin. We hadden daar geen gas, maar om nu meteen met butagas te beginnen, vond ik maar niks. Ik was nog niets gewend. Dus hebben we een elektrisch fornuis aangeschaft. We hadden vroeger op elektrisch een echte melkkoker met een tuitje erop met gaten, zodat het niet kon overkoken. Wij gingen bij een andere boerderij, bij Van Sterkenburg, melk halen. Dat deden we in zo’n ouderwets emmertje en omdat we geen koelkast hadden, ging de melk naar de kelder. We hadden een diepe kelder en daar kon je van alles opslaan. Er was ook geen waterleiding, maar we hadden wel pompwater. Dat werd opgepompt en ging gewoon via de kraan. Je kon dat water niet gebruiken voor de was, want het was sterk ijzerhoudend. Als je een glas water nam, het was goed van smaak, maar liet je het even staan, dan was het water helemaal bruin. Dus daar kon je geen stukje wasgoed in wassen. Pa ging daarom met vier melkbussen achter zijn fiets leidingwater halen iets verderop bij een boerderij. Je kon echt zien dat de Willie’s Hoeve nog een boerderij was, want vanuit de keuken was er een opkamertje en in de keuken zelf was een spoelbak. Dat was een bak waar ze de melkemmers en alles spoelden en dat was gunstig voor mijn nieuwe Blomberg wasmachine, want die moest je nog leeg laten lopen en dat kon daar dus mooi in. De wasmachine haalde het meeste water er wel uit, want het was een langzame wasser. Je moest het koude water in de wasmachine doen en hem aanzetten. ’s Nachts liet ik hem opwarmen. Vervolgens moest de was trekken. Dan deed je eerst de witte was erin. Daarna kon je nog de bonte was in datzelfde sop doen en daarna nog de sokken en broeken. En als de wasmachine leeggepompt was in de spoelbak, dan moest je er weer emmers met water in doen, want het moest gespoeld worden. Dus begon je eerst weer met de witte was enzovoorts. Daarna centrifugeren en alles buiten ophangen. Je was de hele dag wel met de was bezig. We waren hartstikke blij als het regende, want we hadden een grote regenton, een gierton, maar dan wel een schone natuurlijk, en daar vingen we het regenwater in op. Daar kon je prima de handwas mee doen. Ik warmde het water daarvoor in de elektrische ketel op. Maar als het een tijd droog was geweest en je haast geen regenwater meer had, dan zochten we alle emmers en teilen, alles van zink, bij elkaar en als het dan begon te regenen hadden we weer een heleboel waswater.


Die winter van ‘63/’64! Ik denk nog wel eens, 

als we nog eens zo’n winter moeten meemaken! 

Er lag een kruik aan het voeteneinde van ons bed, 

maar als je onder de dikke wollen dekens lag, 

dan kwamen daar allemaal ijsbolletjes op van het uitademen. 

Zo koud!


Onder de overkapping naar de hooiberg was achterin een houten schot en daar stond de kolenkist. We hadden een kolenhaard, een Efel, en die stookten we met antraciet. De kolenboer kwam dat brengen. Langs het huis liep een sloot, dus we hadden wel veel last van ratten. Er stond een bank en als ik dan naar buiten kwam en er zat weer een rat op die bank, dan schrok je wel hoor. Dan deed ik gauw de deur weer dicht. ’s Avonds haalde pa natuurlijk de kolen uit het hok en dan was hij altijd aan het schoppen tegen het kolenhok voor die ratten! Het was de bruine rat die wel een lengte had van 30 centimeter met een hele dikke staart! Eén keer kwam pa uit zijn werk thuis, toen er ook weer zo’n grote rat op het kolenhok zat. Zonder iets tegen mij te zeggen, pakt hij zijn vuurbuks en schoot. Nou, onder dat golfplaten dak, kun je je dat voorstellen? Ik dacht dat ik een rolling kreeg. Ja, het was landelijk, het was echt buiten! Die winter van ‘63/’64! Ik denk nog wel eens, als we nog eens zo’n winter moeten meemaken! Maar je kan veel en je leert veel. Ja, dan zit je wel dicht bij de haard. Er was verder niks hè? Het was toen allemaal enkel glas en één steens muren. Boven op onze slaapkamer had je van die smalle bruine raampjes, dus dik de bloemen erop. Er lag een kruik aan het voeteneinde van ons bed, maar als je onder de dikke wollen dekens lag, dan kwamen daar allemaal ijsbolletjes op van het uitademen. Zo koud! De wind waaide dwars door het huis en de sneeuw joeg hoog tegen de muren op, ja het was niet zo’n beste boerderij. 


Nou, een boer die klaagt, die had het zo slecht nog niet, hoor!


Boerderijen kunnen best heel degelijk zijn, maar ja, je had veel keuterboertjes hè? Kleine boertjes die niet veel koeien hadden, hooguit een varken en wat kippen en koeien. Die had je veel bij ons. Directe buren had je niet. Er zat allemaal weiland tussen en boomgaarden, heel veel boomgaarden. Er waren dagen dat ik niemand sprak. Als ik in de keuken bezig was voor het keukenraam aan de gootsteen, dan stonden de koeien je zo aan te gapen en dan riep ik maar weer “Boe!!!”. We kregen wel bezoek uit de omgeving. Mensen die je heel niet kende fietsten langs en kwamen het erf op om een praatje te maken. Dan gingen ze even op het bankje zitten en dan gingen ze weer verder. Ze waren gewoon op fietstochtje en nieuwsgierig naar ons. Het waren waarschijnlijk ook bewoners van de Straatweg die wij niet kenden. Een schoolvriendin van mij, Teun van Wiggen, was met een veeboer getrouwd en die woonde daar ook op de weg. Zij was een struise vrouw en ging zelfs die paar koeien die ze hadden zelf melken! En dat ging allemaal nog met de hand natuurlijk. Eén keer in de week ging ik naar mijn moeder. Op de fiets naar Beusichem. Ze kwamen ook wel naar ons toe. Mijn ouders met de auto en mijn schoonouders op het Solexje. En ook de familie, mijn broer en zus, kwam op visite. De boodschappen deed ik in Culemborg. Ook op de fiets. Je hebt alle tijd, want ik ging niet meer naar mijn werk. Als er iemand in onze tijd doorwerkte, dan was het door de anderen: “Goh, wat erg! Kan je man niet voor je zorgen?”. Ik was helemaal niet gewend op een boerderij. Al die boerenmensen vonden mij in het begin maar een stadsnufje eigenlijk, maar ze hebben dat allemaal heel royaal geaccepteerd. Ze zijn hartstikke vriendelijk als je voorbij komt. Altijd wuiven en een praatje maken. Van Sterkenburg was echt een beetje van: “Hoe redden jullie het”. Alles willen ze weten van stadsmensen. Pa werkte toen bij de Luchtmacht in Rhenen en moest elke dag met de trein op en neer. Ja, in die tijd was dat heel sterk op die manier van: “Ja, jullie ambtenaren verdienen veel meer als wij boeren, want wij boeren klagen veel hè?”. Nou, een boer die klaagt, die had het zo slecht niet hoor! Maar dat zat erin, in de boerenbevolking. Toen Karin geboren was en ik eindelijk met haar naar buiten mocht, verheugde ik me erop om langs alle boerderijen te lopen. Ik had verwacht overal te moeten stoppen natuurlijk: allemaal naar mijn dochtertje kijken! Maar ze zwaaiden niet en ze zeiden niks tegen me en ze waren heel niet belangstellend. En toen hoorde ik van mijn vriendin Teun: “weet je wat er aan de hand is? Ze zijn hier gewend dat als er een kindje wordt geboren, ze allemaal, de hele Straatweg van Culemborg tot halverwege Geldermalsen, een geboortekaartje krijgen”. Wij hadden alleen familie en kennissen een kaartje gestuurd! Dat was nog in de tijd dat als er iemand was overleden, dan kwam de doodbidder langs de deur om aan te kondigen dat die of die is overleden. Kijk, die gewoonten van de boerenmensen, wisten wij niet. Nou ja, dat is later allemaal wel weer goed gekomen.


We zijn daar samen echt gelukkig geweest, dat kun je wel zeggen!


Met het boerenbedrijf zelf hadden we niets te maken. De boomgaarden en weilanden werden verpacht. De weekenden gingen we gewoon fietsen en je bent lekker helemaal buiten. En wat zo heerlijk was: als wij ’s avonds naar mijn schoonouders in Culemborg waren geweest en we liepen terug, dan rook het in de bloesemtijd zo geweldig toen. Kersenbloesem, appel; dat heb ik daarna nooit meer geroken. ’t Was er heel stil eigenlijk. Je was één, je hoorde de natuur! Er waren toen veel meer vogeltjes. En hazen natuurlijk, veel hazen, ook in de boomgaard. We zijn daar samen echt gelukkig geweest, dat kun je wel zeggen!

Toen pa na ruim drie jaar eindelijk een baan met huis had gevonden, trokken we weg van de boerderij naar de Randstad. Mevrouw Burggraaf is toen naar het verzorgingstehuis, het Elisabeth Gasthof, gegaan. Haar kinderen wilden de boerderij niet overnemen. Die zijn bijna allemaal een slagerij begonnen. Ja God, ze hadden koeien en er werd geslacht en nu is het al drie generaties Slagerij Burggraaf. Het zit er wel een beetje in van vee naar slagerij. De Willie’s Hoeve is helaas verdwenen. Er staat nu een villa op die plek en er is geen boomgaard meer. De oudste, grootste boerderijen staan er nog wel, maar hebben meestal niet meer de functie van een boerderij; het is daar dus zó veel minder geworden. Het boerenbedrijf en de boomgaarden zijn allemaal verdwenen’.


Dit interview is verschenen in: Gelderse Verhalen van boeren, burgers en buitenlui. 70 Jaar plattelandsgeschiedenis. Een uitgave van Stichting Landschapsbeheer Gelderland, Erfgoed Gelderland en Nabij Producties, Barneveld 2016. ISBN: 978-94-92055-23-1, pag. 80-89