Schreibenswert

Cultuurhistorie Duits/Nederlands

Heinrich Brune: 

Arbeitsmann Reichsarbeitsdienst (RAD) 6/212 – Luftwaffe Flakbatterie 5/591


15 april 1926 Oelde bij Warendorf in Nordrhein-Westfalen


Heinrich Brune heeft zijn oorlogservaringen de rest van zijn leven met zich meegesleept. Als een bezetene verzamelt hij al meer dan 70 jaar alles wat hij maar over die oorlog kan vinden en stouwt daar zijn garage mee vol. De inmiddels 92 jaar oude veteraan is betrokken geweest bij een oorlog waarvan hij de brokstukken in zijn geheugen niet meer aan elkaar gepuzzeld krijgt. En daarom verzamelt hij alles wat hij maar over die periode kan vinden in de hoop dat hij de gaten in zijn geheugen ermee kan opvullen. Zijn oorlogsherinneringen hebben ook sporen achtergelaten op de ziel van zijn twee kinderen, die de verhalen van hun vader onderhand wel kennen. En je zult luisteren! Geen ontkomen aan! Zodra hij bij iemand de kans krijgt, draait hij zijn verhaal af. Iedere keer precies hetzelfde, compleet met alle clichés en vaste gezegden en in een kort, afgemeten staccato met een meewarig, bijna beschuldigende blik in zijn ogen; alsof hij jou als toehoorder verantwoordelijk wil stellen voor al het geleden leed van de wereld. Dit is het verhaal waar hij houvast aan heeft en waarmee hij kan leven; er bestaat geen andere waarheid.


Op 1 augustus 1943 marcheerde hij met vele andere opgeroepen dienstplichtigen door Wassenberg in het Rheinland, waar hij ingedeeld werd bij de RAD-eenheid 6/212. In de kazerne werden ze van kleding voorzien en kregen de brildragers een dienstbrilletje uitgereikt en ook Brune droeg vanaf dat moment een dienstbril. Hun eigen kleding werd in kartonnen dozen gepakt, die de dienstplichtigen zelf van huis hadden moeten meebrengen en ook weer zelf naar huis moesten sturen.


Brune werd in Eindhoven als Flakhelfer bij de Luftwaffe opgeleid en is daar nog altijd zeer trots op. Hun hele eenheid zou later de Flakbatterie 5/591 moeten gaan overnemen: ‘Ik had de eer om aan het 9e geschut, de Ida, opgeleid te worden. Het geschut lag bovenop het station en wij hadden dan voortdurend zicht op de treinen en zagen dan die mooie, fantastische treinen!’ Ze lagen daar op wacht en iedere twee uur werd er gewisseld. Wie de pech had, dat er vijandelijke vliegtuigen over kwamen vliegen, zat de hele nacht buiten. Ook overdag kregen de jongens nauwelijks tijd voor een dutje en zo gebeurde het dat vele jonge arbeidsmannen oververmoeid raakten: ‘En dat op 17-jarige leeftijd!’ In het voorjaar van 1944 werden ze naar het vliegveld van Gilze-Rijen overgeplaatst vanwaar de bommenwerpers tegen Engeland ingezet werden: ‘En daar hadden we de eer om onze kanonnen meerdere keren op een dag uit elkaar te mogen halen.’ Tot dan toe was de oorlog nog niet echt aanwezig in het leven van de jongens, maar begin juni kregen ze vrijwel iedere dag alarmoefeningen. De geallieerden waren in Normandië geland en daarom werd er nu geoefend met ‘parachutistenalarm’. Brune was het al gauw zat en was blij toen hij half juni 1944 naar Arnhem gecommandeerd werd.


Met hun Flakgeschut werden ze bij een steenfabriek in de Rosandepolder aan de Nederrijn in Oosterbeek in stelling gebracht, naar hun gevoel ver weg van de bewoonde wereld: ‘En daar hebben we, hoe zal ik het zeggen, praktisch helemaal alleen moeten liggen.’ Het is de reden dat hij zich als een echte Luftwaffe man is gaan zien, die had namelijk wel een streepje voor op de anderen: ‘We waren niet van de infanterie, wij waren Luftwaffe en hadden de taak ons geschut te beschermen tegen de vijand, voor mijn part als er Partisanen gekomen waren of zoiets. We hadden ook wat vuurwapens, dat is logisch! Geweren enzovoorts, maar dat was onze taak niet! Wij hadden de luchtruimte, die was aan ons toebedeeld! Er kwamen vijandelijke vliegtuigen, maar we moesten pas echt oplettend zijn, toen de luchtlanding eraan kwam! Ja, we merkten toch wel dat er iets was … de commando’s werden korter en dat was al voor de 20e juli! Dat moet erbij gezegd worden. Naderhand waaide er een andere wind. Het was een andere tijd! Na de 20e juli veranderde dat in zoverre, dat we de militaire groet niet meer door middel van arm heffen hoefden uit te brengen, maar we konden met een hoofdknikje volstaan.’ De veteraan refereert aan de dag waarop de aanslag op Hitler plaats vond. Die aanslag wordt vaak als keerpunt in de Tweede Wereldoorlog gezien. Het gaf opnieuw een knauw aan de moraal van ‘de Duitse soldaat’. 


Op 17 september 1944 kreeg hun stelling de opdracht zich te verplaatsen naar Arnhem, waar ze ter hoogte van het goederenstation ’t Broek, bij het rangeerterrein terecht kwamen. Precies op dat moment verschenen de enorme aantallen geallieerde vliegtuigen aan de horizon. Brune was overdonderd door het vele materiaal dat de geallieerden konden inzetten. Al die vliegtuigen aan de hemel! De veteraan begint met verontwaardiging in zijn stem aan zijn betoog die hij voor de hele naoorlogse generatie lijkt te willen houden: ‘Voor de oorlog al moesten we lege aluminium tubes verzamelen, zodat voor de bewapening wat grondstoffen aanwezig zouden zijn. Vandaag de dag ligt alle rotzooi op straat. Dat is het verschil in twee zinnen! We hadden zo’n wereldspaardag. Ieder schoolkind moest op de spaardag iets van zijn spaarpotje afstaan aan de staat. Dan kreeg je een potlood of iets dergelijks. Toen waren de spaarbedragen van groot belang, ook al waren het tien of vijf Reichsmark, iedere scholier deed dat, op iedere school. Zo! En dat heb ik in die tijd allemaal niet begrepen en toen heb ik veel later eens specificaties gezien hoeveel miljarden daarvoor, voor de uitrusting van het leger nodig waren. Dat was het punt!’

De Slag om Arnhem was in volle gang toen hij de opdracht kreeg om vanuit Westervoort gesneuvelde Duitsers in Arnhem op te halen. Het valt niet mee voor de veteraan om dat verhaal te vertellen: ‘Ik heb toen … de doden … daar was ik de juiste persoon voor, toen! Er werd gezegd: Zo, jij gaat rijden! En dan had je maar te gaan.’ Het rijden met paard en wagen ging de onervaren koetsier niet gemakkelijk af en zeker niet met zo’n vrachtje achterop. Dagen achtereen voerde hij deze dodentransporten uit: ‘De doden heb ik afgeleverd bij het Ehrenfriedhof! Ja! Daar was een Gerichtsoffizier en die heeft de doden overgenomen. Allemaal dode Duitse soldaten, die op de een of andere manier door een hoofdschot getroffen waren. Waar Stalingrad niet genoeg was geweest … dus precies werkende scherpschutters, ja!’ Hij werd ook eens onderweg beschoten door een jachtbommenwerper: ‘Kwam me daar toch opeens een Jabo aan en die schiet. Ik lag op straat en de knol werd wild en ging er vandoor. Als je hier op dit moment nog de schoten zou horen, hoe die ratelden, dan … Ik had een stalen helm op en heb gedacht: zie je nou wel! Nu heb je geluk gehad, mijn beste Heinrich … ja … en toen ging ik gewoon verder. Ja, zo ging dat!’ 


Deze ervaringen hebben ervoor gezorgd dat Arnheim onlosmakelijk verbonden is geraakt aan zijn oorlogstrauma: ‘Ja, tot een paar jaar geleden heb ik jaarlijks een paar kameraden opgebeld … vandaag is 17 september … dan belde ik op bij kameraad Kattenbeck bijvoorbeeld in Emsdetten. Ik zeg: Paul, weet je nog wat vandaag was? Ja, wist hij nog precies. Ik zeg: En de andere dag brandde ’s avonds die mooie stad! Ja, die mooie stad Arnheim, heuvelachtig, bosachtig, alles fantastisch!’Terugdenkend aan Arnhem begint hij met het lot van de mensen: ‘Die hadden niets, helemaal niets kwaads gedaan. Ze deden hun werk, het was een vreedzame stad. Dan komt er ineens een baas en die kondigt de doodstraf aan, zo niet morgenmiddag … etc. men moet zich melden. Dat een verzetsbeweging provocerend is, dat weten we. Alleen hoe daarop gereageerd wordt, weten we niet. En nu hebben ze in alle landen dezelfde problemen en ze weten allemaal niet hoe ze daar vanaf moeten komen! Nu kan je de een als held en de ander als terrorist afdoen, of omgekeerd en dat is een kwestie van hoe je er tegenaan kijkt. Ja! Zie je … toen ze daar bij Philips gestaakt hadden, dat kan ik goed begrijpen! Dat was na Stalingrad. Dat was het tijdstip waarop wij, ik bedoel nu het Duitse Rijk … moest erkennen dat er grenzen zijn: nu stoppen! En dat gaf de kracht om verzet te bieden. Is toch simpel! De onzen hebben echter heel radicaal opgetreden. Die hebben gezegd, wanneer niet, voor mijn part dinsdagmorgen, iedereen weer aan het werk is, worden zo en zoveel directeuren doodgeschoten! Ja! Zie je?’ Brokjes herinnering en verwerking worden aan elkaar gesmeed tot een bijna onsamenhangend geheel. De veteraan heeft moeite om zijn herinneringen gestructureerd weer te geven. De veteraan is zich ook bewust dat de naoorlogse generaties alles anders beoordelen dan hijzelf. Dat vindt hij ook niet zo gek. Ze zijn immers niet zelf in die situatie geweest. Vol overtuiging geeft hij aan: ‘De vrijheid eindigt daar, waar de vrijheid van de ander in het geding is. Dat is nu eenmaal zo. Maar onze vrijheid hield niet op, waar de vrijheid van de ander op hield. Daar achterin die mappen zitten bevelen van de Hitlerjugend, die moet je maar eens bekijken!’ 


Zijn huisarts had in een veldhospitaal ervaring opgedaan met longziekten. Na de oorlog specialiseerde hij zich daarin en kreeg onmiddellijk een baan: ‘In de naoorlogse jaren waren longproblemen het grootst. Waarom? Omdat de mensen hier veel rookten. En dan die voortdurende hoogspanning, die overbelasting! Maakt niet uit waar! Raakt die bom mij of jou? Daar of hier? En deze spanningen zijn niet te verwerken. Kun je ook niet meer goedmaken. Ik heb nog geluk gehad, maar als je bij jullie in Ysselsteyn in Limburg kijkt en al die 30.000 dode Duitsers op 120.000 vierkante meter oppervlakte ziet, dan was er wel wat aan de hand in Nederland, nietwaar?’


Weten wat hij allemaal nog meer meegemaakt heeft? Lees: Weggemoffeld! Levensverhalen van Duitse Arnhemveteranen. Het boek is geschreven door drs. Ingrid Maan, die Duitse oorlogsveteranen interviewde over hun jeugdtijd, dienstoproep, inzet aan oost- en westfront, krijgsgevangenschap, terugkeer naar huis, hoe ze hun leven weer opbouwden en hoe ze als oude mannen terugkijken op die beladen tijd.


€ 24,95 - Hardcover, 310 pagina’s met foto’s