Schreibenswert

Cultuurhistorie Duits/Nederlands

     Wij exploiteren het landgoed als een bedrijf


Middachten : interview met Franz graaf zu Ortenburg



25e generatie


Zijn ouders vonden het belangrijk dat Franz graaf zu Ortenburg (1953) ging studeren om later zelfstandig te kunnen zijn. Want in een tijd dat Nederland ‘redelijk socialistisch’ was, kon hij er niet automatisch vanuit gaan, dat hij later op kasteel Middachten zou kunnen werken. Middachten, al meer dan 800 jaar in de familie, heeft een rijk verleden, maar zou het wel een toekomst hebben? Op een zonnige meimorgen in de kasteeltuin vertelt de graaf over het instandhouden van zijn landgoed.


Foto interview: rentmeester Age Fennema
Foto Franz graaf zu Ortenburg: Marianne Jans


Interview mei 2011

‘Toen ik eigenaar werd, studeerde ik nog. Ik bemoeide me niet met het landgoed, het besturen van Middachten zou destijds niet mogelijk zijn geweest. En tenslotte had ik later ook mijn eigen werk, bij een bank in het buitenland. Dus zorgde mijn vader voor het landgoed.

Het beheren van een landgoed is moeilijk, het is complex en er komt van alles op je af. Ik genoot dus van de vrijheid die mijn vader mij gaf. Economisch was het toen niet eenvoudig. De pachten voor de bijbehorende hoeves waren nog niet geliberaliseerd. De pachtprijzen werden sterk bepaald door de Pachtwet. Er was dus geen sprake van zakelijke prijzen. Bovendien was er veel achterstallig onderhoud een het rendement was slecht. Het landgoed werd toen slechts beheerd. In de loop van de jaren is de koers veranderd van een ‘landgoed in beheer’ naar een ‘landgoed in bedrijf’. Dat wil zeggen dat wij nu pro-actief bezig zijn om het landgoed te exploiteren.


Van landgoed in beheer naar landgoed in bedrijf

Dat proberen we te doen met veel respect voor het verleden en het cultuurhistorische erfgoed. We zouden ervoor kunnen kiezen om bijvoorbeeld in de oude, leegstaande stallen en restaurant of een café in te richten. Dat zou zeker veel mensen aantrekken en wellicht ook geld opleveren. Wij hebben ervoor gekozen om Middachten authentiek te houden. We willen duidelijk maken dat hier eeuwenoude tradities levend zijn, er een familie woont en dat er nog een ziel in het huis aanwezig is. Het is geen stichting, geen museum, maar een privéwoonhuis en de familie bepaalt wat er gebeurt. Het is onze verantwoordelijkheid het landgoed te onderhouden en aan de opvolgende generatie over te dragen. Wij mogen daarbij best ook een beetje onze stempel achterlaten.

Het grote verschil tussen vroeger en vandaag is dat wij het landgoed nu als een bedrijf zien. Je mag op zo’n landgoed niet stilstaan, want dat betekent achteruitgang. En dat is hier eigenlijk tot midden jaren ’80 van de vorige eeuw best het geval geweest. De deuren zijn in 1975 een beetje opengegaan toen de heer Geertsema, de toenmalige Commissaris van de koningin in Gelderland, en deel van het kasteel ging huren. Hij gebruikte het als privéverblijf voor zijn familie, maar ook voor representatieve doelen. Dat is natuurlijk precies de bedoeling van een kasteel, want zo gebeurde dat vroeger ook: je woonde daar en je stelde het naar buiten toe open. Er kwamen toen ook veel meer mensen naar Middachten.

Na het vertrek van de commissaris in 1983 zijn er twee dingen gebeurd. Enerzijds werd de tuin, in het kader van een afscheidscadeau van de provincie Gelderland, door subsidies, door contributies uit het bedrijfsleven en ook door giften uit de maatschappij hersteld en gerestaureerd. Anderzijds werd uit de noodzaak geboren ook besloten om het kasteel met tuin en park in een marketingcontext te plaatsen. Het werd opengesteld voor bezoek op vaste tijden waarbij entreegeld geheven werd.

Dat moest, en achteraf zijn wij blij deze stap genomen te hebben. Het is mooi om deze prachtige buitenplaats met de maatschappij te kunnen delen en te zien dat de bezoekers dit waarderen. Vooral de grote belangstelling voor onze traditionele kerstopenstelling is een mooi voorbeeld daarvan. Het kasteel wordt geheel in kerstsfeer gebracht, terwijl buiten de kaarsjes branden en de vuurkorven gloeien. In de bijgebouwen is dan een bescheiden, maar bijzondere kerstmarkt ingericht. Op verzoek en ook tijdens de zomeropenstelling kunnen bezoekers genieten van de magnifieke trappenhal en haar rijk met stucwerk versierde koepel, evenals de eeuwenoude inboedel met meubels en schilderijen. Door hun entree dragen bezoekers bij aan de instandhouding van dit bijzondere kasteel.

Deze stap naar openstelling is wel in conflict met de behoefte aan privacy van de bewoners. Men begrijpt het niet altijd als je vindt dat je ook recht op privacy hebt. Sommige mensen denken zelfs dat jouw privacy door de subsidie wordt afgekocht; zo zien zij dat. Voor het behoud van onze historische buitenplaats zijn subsidies inderdaad erg belangrijk, maar vergeet niet: je moet wel de eigen bijdrage opbrengen.

De meeste buitenplaatsen in Nederland zijn onrendabel. Dat waren ze vroeger net zo als vandaag de dag. Een kasteel is niet rendabel en zeker niet als er ook nog een grootschalige tuin en park bij is. Dan is de vraag: hoe groot is het economisch draagvlak eromheen? Op veel buitenplaatsen is uit noodzaak eerst het land en vervolgens de inboedel verkocht. Dat is erg jammer, want daardoor is de cultuurhistorische eenheid van het ensemble veelal vernietigd. Het huis werd dan vaak in een stichting ondergebracht. Als je merkt dat het moeilijk wordt, dan zou je eerst het kasteel moeten verkopen en pas op het allerlaatst het land.

Verpacht land is namelijk het economische draagvlak, ook van Middachten. De pachters moet je de ruimte geven om een goed bedrijf te voeren. Dat betekent tegenwoordig schaalvergroting met goede bedrijfsgebouwen. Vroeger, toen alles nog met de hand gebeurde, waren er een stuk of twaalf pachtboerderijen op het landgoed. De kern van het huidige landgoed bestaat nog maar uit vier grote pachters en die hebben meer grond, meer koeien, dus meer melk dan vroeger. De vraag is: wat doe je met de gebouwen van de andere hoeves? Het is niet zo eenvoudig hiervoor een rendabele functie te vinden.


Naturgemäße Waldwirtschaft

Bij het landgoed behoren ook de Middachter bossen. Je kunt ze openstellen voor recreanten, maar recreanten in het bos betalen geen cent. Wij krijgen er nog een beetje subsidie voor, alhoewel dat ook steeds minder wordt. Toch moet ook het bos rendabel zijn. In vroegere tijden, zo rond 1850, was het bos ook al een productiebos. We mogen dat in onze huidige tijd niet vergeten: hout was dagelijks nodig en werd uit het bos gehaald. In Nederland importeren we tegenwoordig hout, maar vroeger werd het bos gewoon gekapt. Dit gebeurde door kaalkap. Alles werd eraf gehaald en opnieuw ingeplant, net als een landbouwer zaait en oogst. Dat was relatief goedkoop, want je had genoeg en goedkope arbeidskrachten.

Maar in de jaren dat de lonen stegen, werd dat steeds kostbaarder. Mijn vader heeft hier toen heel consequent de Naturgemäße Waldwirtschaft naartoe gebracht. Dan werk je met natuurlijke verjonging. Je moet daar wel meer geduld voor hebben, want daar waar gekapt is, moet je wachten tot het zaad vanzelf weer aanslaat. Dat kun je ook bevorderen door de grond een beetje los te trekken. Deze manier van bosbouw is duurzaam, kleinschalig, maar toekomstgericht. Behalve de boswachter hebben wij nu geen personeel meer nodig, omdat het hout op stam verkocht wordt (de koper haalt zelf het hout uit het bos). Vroeger moest het hout door het personeel geveld, eruit gesleept en weer herplant worden. De exploitatie van het bos was veel intensiever dan tegenwoordig. Het is belangrijk te realiseren dat je – ook op een landgoed – heel veel dingen verkeerd kunt doen. Je moet dus goed nadenken wat je doet en hoe je het aanpakt. In die zin vind ik het belangrijk om met goede adviseurs te werken en goede medewerkers te hebben die met je meedenken. Ik moet dus ook openstaan voor kritiek, wat ik soms nogal lastig vind.

Sinds het overlijden van mijn vader in 2001 heb ik een vaderlijke adviseur, die bij het beheer van het landgoed betrokken is, en ik heb ook een rentmeester. Wij voeren het bedrijf dus met zijn drieën. Dat neemt niet weg, dat er een grote verantwoordelijkheid op mijn schouders rust. Je bent toch eigenlijk in de lijn van vele voorgangers de vertegenwoordiger van deze generatie. Ik wil zeker niet diegene zijn, die het verprutst. Ik wil goed voor Middachten zorgen en het landgoed goed aan de volgende generatie overdragen. Daarom moet je structureel goed zijn en daarom zijn die adviseurs ook zo belangrijk. Als ik aan het einde van mijn reis ben, dan moeten er duurzame structuren zijn, die ervoor zorgen dat het landgoed ook zonder mij verder kan. Je moet het zien als een baan, eenbaan waarvoor je veel passie en emotie nodig hebt. Ik vind het een groot voorrecht om dit landgoed te kunnen en mogen beheren en ervoor te zorgen dat het een lust blijft en geen last gaat worden.’


Dit interview is verschenen in: Verhalen over landgoederen en buitenplaatsen in Gelderland. Uitgeverij Blauwdruk, Wageningen. ISBN 978-90-75271-61-4.